De allereerste keer was verschrikkelijk. Ik was negentien. In Berlijn. En samen met een vriendin reisde ik per trein door Oost-Europa. De nacht leek eeuwig te duren en ik kon mijn geluk niet op toen het zonlicht eindelijk onze kamer binnen scheen. Ik had geen oog dicht gedaan, maar ik had het overleefd. Mijn intrede in de wereld van de hostelovernachtingen. Het was een ruwe kennismaking geweest. Het stel dat onafgebroken de kamer in en uit bleef lopen en iedereen daarbij wakker hield, was één ding. Maar waar in de wereld treft men nog een man die met een gigantische hakbijl in zijn rugzak in hostels overnacht? Buiten een eventuele film van Eli Roth dan. Het feit dat ik dit verhaal nog kan navertellen, bewijst dat de goedzak in ieder geval geen moordneigingen heeft gehad. Of beter gezegd: deze niet in onze slaapzaal ten uitvoer heeft gebracht.
Hoewel ik inmiddels vele buitenlandse avonturen en een wereldreis verder ben, kan ik de nachten dat ik op een slaapzaal doorbracht nog steeds op één (misschien twee) hand(en) tellen. Nog wel. Want wie in de veronderstelling verkeert dat men daar als alleen reizende lowbudget backpacker in Australië aan ontkomt, komt bedrogen uit. En dus open ik, vierenveertig uur nadat ik mijn moeder een laatste knuffel op station Sittard gaf, de deur van mijn slaapzaal in het Hub Hostel in Melbourne. Een muffe lucht komt mij tegemoet. Ietwat argwanend bekijk ik de meid die op de vloer voor de spiegel haar make-up aanbrengt. Als ik me voorstel en mijn hand uitsteek, kijkt ze me aan alsof ik gek ben geworden. Dan geeft ze mij een slappe hand en mompelt haar naam. Dat ik die niet verstond, doet er niet toe. Want tien minuten later pakt ze haar spullen en verdwijnt. Mooi. Ik loop naar het raam en probeer het met al mijn kracht open te duwen. Onmogelijk. De geur is blijkbaar bij de kamerprijs inbegrepen.
Te moe om er verder aandacht aan te besteden, kleed ik mij om en kruip onder de dekens. Het avontuur, dat ik dit keer alleen aan ga, is begonnen. Dat dat hier en daar wat verbaasde blikken oplevert, vind ik niet gek. Zelfs de douanier onderwierp mij aan een kort, maar streng, verhoor. “Wie ken jij, die in Australië woont?” Ik schud mijn hoofd. “Niemand.” Ze trekt haar wenkbrauwen op. “Geen enkele soloreiziger reist naar een land waar hij of zij niemand kent”, snauwt ze en dwingend kijkt ze mij aan. Net voordat ik in paniek Nicole Kidman wil roepen, bedenk ik mij dat Nancy hier woont. “De zus van een vriendin woont net boven Sydney”, antwoord ik. Ze knikt en geeft me het sein dat ik door kan lopen. Of ik haar ook persoonlijk ken en haar wel of niet op ga zoeken, doet er blijkbaar niet toe. Misschien was Nicole Kidman dan toch óók goed geweest. Al woont die vast niet meer in Australië.
Omdat mijn gedachten blijven afdwalen, klap ik mijn tablet open om een film te kijken. Al snel merk ik dat mijn ogen zwaar worden. Het gevecht tegen mijn jetlag zal even moeten wachten. Ik hijs de witte vlag en gun mijzelf een paar uur slaap. Veel later dan gepland schrik ik wakker als er op de deur wordt geklopt. Een nieuwe kamergenote komt de slaapzaal binnen. Omdat het inmiddels al donker is, pakt ze haar spullen niet uit en kruipt in bed. Al snel valt ze in slaap. Ook ik draai me om en probeer de slaap weer te vatten. Tevergeefs. Van te voren had ik het mooi uitgedacht. Wie een slaapzaal deelt met slechts drie anderen, allemaal vrouwen(!), loopt het minste risico. Dacht ik. Helaas. Mijn nieuwe kamergenote en mijn jetlag spelen blijkbaar onder een hoedje. Haar gesnurk vult inmiddels de hele kamer. Het is één-nul voor hen. Voor de tweede keer die dag klap ik mijn tablet open. Wie de vijand niet kan verslaan, kan nog altijd terugvallen op Netflix. Ik spaar mijn krachten, en klik de eerste film op mijn lijst aan. “Welkom in Melbourne”, mompel ik tegen niemand in het bijzonder.

