De tentstokken rammelen zo hard dat ik bang ben dat er eentje los schiet en zich door één van de autoramen boort. Mijn zusje, die naast me ligt, kijkt me met een bezorgde blik aan. Elk half uur ritst zij de daktent open om te kijken of de tafel en de stoelen nog geen nieuwe eigenaar hebben gekregen. Bang dat ze gestolen worden, is ze niet. Bang dat de wind ze honderd meter verder blaast, is ze wel.
Het is pas de tweede nacht van ons gezamenlijke Afrika-avontuur, en we hebben onze auto, met wat pijn en moeite, op de camping net buiten de Sossusvlei geparkeerd. Het is de eerste nacht die we met zijn vieren kamperend doorbrengen en de wind heeft ons nog niet meer dan een paar minuten nachtrust gegund. Wanneer een grote windvlaag de zoveelste hoop zand onze tent binnen blaast, klimmen mijn zusje en ik dan ook vlug naar beneden. Zorgvuldig kijken we alle stokken na en ritsen alles dicht. Hoewel het leed (waarbij onze tent één grote zandbak is geworden) al is geschied, hopen we hiermee de schade nog enigszins te beperken. Een oog dicht hebben we echter niet gedaan. Niemand, als we het gemopper in het toiletgebouw de volgende ochtend mogen geloven. In het donker en in de wind hebben we onze daktenten zojuist met zand en al ingeklapt. Terwijl ik mijn lenzen in doe, manoeuvreert mijn moeder de auto uit de krappe kampeerplek. Als vierde sluiten we aan in de rij om de Sossusvlei te bezoeken. Niet wetende dat de wind daar een stokje voor zou proberen te steken.
Met het doel om Big Daddy, de hoogste zandduin in de Sossusvlei, te beklimmen, rijden we de zestig kilometer naar de parkeerplaats. De beroemde Dune 45, waar een aantal toeristenbussen in het donker gehaast naar toe rijden om hun klanten als eerste af te zetten, laten we links liggen. Vijfenveertig minuten later en als één van de eersten bereiken we onze bestemming en snellen naar de shuttle. Samen met één ander koppel zoeven we vijf minuten later door het mulle zand naar de tweede parkeerplaats. Vanuit hier bezoekt men doorgaans de beroemde Deadvlei. Wij hebben echter een ander doel voor ogen. Na drie maanden trappen te hebben gelopen in Landgraaf is mijn moeder en klaar voor. Na het lopen van het Annapurna-circuit in Nepal, de Tongariro Crossing in Nieuw-Zeeland en de Laguna 69, Colca Canyon en Machu Picchu in Peru, waren ook wij er klaar voor. We leken in niets meer op die minkukels uit dat platte Nederland. En dat wilden we bewijzen met één laatste uitdaging. Die helaas door al dat zand in het water viel. Driftig schudde de chauffeur van de shuttle zijn hoofd toen we hem vroegen hoe we naar Big Daddy moesten lopen. “Big Daddy kun je vandaag niet beklimmen”, zei hij resoluut. “Maar als je hier rechtdoor loopt, kom je uit bij de Deadvlei.” “Dankzij de duinen, zul je daar minder last hebben van de wind”, voegde hij er nog aan toe. En dus baanden we ons samen met het andere koppel een weg door de wind en het zand. Hoewel het zand – ondanks onze zonnebrillen – in onze ogen bleven waaien, konden we ze nog net genoeg openen om het moois in de Vlei te aanschouwen.
En de Sossusvlei dan? Gelukkig hadden mijn moeder en ik die twee jaar geleden al gezien. En bovendien, wie zegt dat er na deze storm überhaupt nog een duin staat? Voor hetzelfde geldt ligt Dune 45 nu vijf kilometer verderop en rijdt iedereen hem voorbij, omdat hij nu aan de rechterkant van de weg ligt. Bovendien, na het bezoek aan de Deadvlei, wilden we niets liever dan douchen. Met onze handen voor onze ogen staken we lukraak de parkeerplaats over naar de auto. Met de alarmlichten aan reden we de zestig kilometer terug naar Sesriem, waar we een paar uur later dankbaar de doucheknop aandraaiden. Men zegt dat een mens voor negentig procent uit water bestaat. In dit geval was niets minder waar. Voordat het water het zand uit ons haar, onze oren en ogen spoelde, bestonden wij voor vijftig procent uit zand. Met het zand dat uit mijn oren kwam, had ik gemakkelijk een zandkasteel kunnen bouwen. Als ik daar tijd voor had gehad, wil dat zeggen. Want na een jaar lang smachten, begaven we ons liever naar de Sossusvlei Lodge voor een stukje vlees van de barbecue. Terwijl we buiten plaats namen, waren we dankbaar dat de wind eindelijk was gaan liggen en hier geen zand (of was het roet?) in het eten had gegooid.

