Exact zes maanden en één week lang ging het goed. Op die keer in Nepal na dan. Toen we bijna aan de Annapurna zijn vastgevroren. Met onze ultra charmante zomerjasjes en leggings in een enorme vrieskou. We waren onvoorbereid en mogen blij zijn dat we het verhaal nog met een grap en een grol kunnen navertellen. Beter nog: met al onze tien vingers en tenen. Neus en oren. Haren. (Ik dan.) Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. En toch heeft deze controlfreak opnieuw een steekje laten vallen. Zo wandelden wij vorige maand doodleuk de grens van Bolivia naar Argentinië over. Om er daarna achter te komen dat geld opnemen in het land van voetbal en vlees een enorme ramp én een dure grap is.
Want wie wil pinnen, mag slechts drieduizend peso’s per keer opnemen en betaalt daarover bijna tien procent aan kosten. Aan Argentinië wil dat zeggen. Onze eigen (slecht gekozen) ABN AMRO bank incasseert met alle liefde nog eens €2,25 per transactie. Wie zijn of haar dood nog niet – na een hyperventilatie-aanval – aan de Argentijnse straatstenen heeft ondervonden, kan linea recta op zoek naar de eerste de beste nooduitgang uit het land. Terug naar Bolivia of in sneltreinvaart naar Uruguay of Brazilië? Na alles even te hebben laten bezinken, kan ik maar één oplossing bedenken. We steken opnieuw de grens naar Bolivia over, pinnen daar het maximaal opneembare bedrag met twee bankpassen en hopen dat we gedurende onze trip door Argentinië niet beroofd worden. Zo gezegd, zo gedaan. Voor onze zesduizend bolivianos krijgen we een stapel bankbiljetten waar je ‘u’ tegen zegt. Maar liefst tweehonderdvijftig briefjes van honderd peso’s, met een waarde van ongeveer €750. Met uitpuilende zakken keren we terug naar Argentinië. Op de hotelkamer verdelen we de stapels briefjes en bewaren ze op verschillende, strategisch gekozen plekken. “Dus alle toeristen die door Argentinië reizen zijn voorzien van een noodvoorraad aan contant geld?”, vraagt zuslief als we ons klaar maken om te gaan slapen. “Diegenen die goed voorbereid zijn wel”, antwoord ik haar. “Dan weet toch iedereen dat we wandelende geldautomaten zijn, of niet?” “Ik denk het wel.” “Ik voel me direct een stuk veiliger”, klinkt het sarcastisch. “Ga je hier een blog over schrijven?” “Pas als het geld op is”, antwoord ik haar.
Inmiddels is het geld op. Hoe kan het ook anders? Wie in Argentinië een buskaartje wilt kopen moet eerst drie dragen brood met water vreten óf zijn/haar lever op de zwarte markt verkopen. Wie een euro meer neertelt, koopt in de supermarkt echter een fles wijn. Voor een euro of vijf zuip je jezelf helemaal klem. Tot het punt dat je van voren niet meer weet wat er van achteren gebeurt. Laat staan dat je nog weet wat je voor dat buskaartje hebt neergeteld (of verkocht). Hopelijk niet je lever. Die had je namelijk nog hard nodig.
Je hoeft je echter geen zorgen te maken. Ook aan Argentinië komt een einde. En het feit dat de peso op dit moment geen drol waard is, heeft er voor gezorgd dat wij zestien dagen lang geen cent aan de bank hebben hoeven te betalen. Tot het moment dat we in Uruguay arriveerden, wil dat zeggen dan. En zuslief per ongeluk €20 opneemt en daar €7,25 commissie over betaalt. Lekker decadent. Precies zoals het hoort in Punta del Este. Het Ibiza van Zuid-Amerika. Waar je twintig euro voor de was betaalt. (Nee, niet voor de was van de hele buurt, alleen die van ons.) Waar we met een glas wijn voor de open haard zitten. Eerst wit en dan rood. Waar het buiten guur is, maar binnen aangenaam. Waar de snacks die in de oven liggen een heerlijke lucht door de woonkamer verspreiden. Waar… wacht even… We nog steeds gewoon Mim en Noel zijn. Wiens pas gewassen kleding inmiddels alweer naar rook ruikt. Die nog steeds aardappelkroketjes met mayonaise (vr)eten. Die geen enkele moeite doen om die scheur in die ene warme trui te verbergen. Wiens schoenen wel degelijk een gevaar voor de nationale gezondheid kunnen vormen. Die geen enkel risico lopen om beroofd te worden. Geen énkel. Omdat ze in de supermarkt zélf gevolgd worden door de beveiliger. Als het stel zwervers, dat ze lijken te zijn.

