Naar voren hoer!

Wie zich altijd al af heeft afgevraagd hoe de gevoelstemperatuur op een bepaalde plaats in slechts elf minuten zodanig heeft kunnen zakken dat het lijkt alsof er geen leven op aarde meer mogelijk is, kan gerust adem halen. Zo’n negen dagen geleden leerden wij het antwoord op die vraag kennen. Er is niet meer voor nodig dan een groep enthousiaste, patriottische Argentijnse voetbalsupporters, een achtste finale en een aantal Fransen die in deze korte tijd drie maal de bal in het doel weten te schieten. Een twee-één voorstand wordt een vier-twee achterstand, en het team met de meeste (alle minus één) supporters in het hostel lijkt een onmogelijke taak voor zich te hebben liggen. Hoewel mijn Spaanse woordenschat aardig verrijkt wordt, weet ik niet in hoeverre ik het ooit in een gesprek zal kunnen gebruiken. “Naar voren hoer!” en “De kut van je moeder!” lijken – buiten het voetbal om – moeilijk in een conversatie te verwerken.

Terwijl de enige Française in het hostel een glimlach niet kan onderdrukken, blijft de rest gedesillusioneerd achter. Hoewel wij al lang vergeten zijn dat Nederland ooit ook mee telde in de voetbalwereld, komt het verlies van Argentinië in het hostel hard aan. Geheel Salta zat aan de buis gekluisterd en de twee Zwitserse meiden die de omgeving graag te paard wilden bekijken, werden vriendelijk verzocht zich ná de wedstrijd bij het tourbureau te melden. Hoewel de Argentijnen – net als in alle andere landen – graag een tour verkopen, zijn er grenzen. Met Kerst? Wellicht. Als het Argentijnse voetbalteam speelt? Uitgesloten.

Als het gehele hostel is afgedropen, begeven wij ons ook op straat. Omdat er nauwelijks een auto te bekennen is, kunnen we flink doorlopen. In recordtempo staan we voor de supermarkt. Een Argentijnse voorbijgangster, spreekt ons vriendelijk aan. “Zijn jullie Frans?” Geschrokken kijken we haar aan. We zouden niet durven. “We zijn Nederlands en vinden het ontzettend jammer dat Argentinië verloren heeft. We hadden jullie de overwinning van harte gegund.” Verbaasd kijkt ze ons aan. “Echt waar?” Natuurlijk. Iedereen weet toch dat er – buiten Frankrijk zelf – helemaal niemand voor Frankrijk is. Behalve die twee meiden uit Zwitserland blijkbaar. Maar die interesseert het eerlijk gezegd ook geen biet. Want die gingen liever paardrijden.

We groeten de vrouw vriendelijk en lopen de supermarkt binnen. Voor de vleesafdeling bevindt zich de helft van de inwoners van de stad. Het is de helft die zijn/haar verdriet niet heeft besloten te verdrinken, maar in plaats daarvan vanavond een hele koe zal gaan verorberen. Terwijl Noëlle de overige boodschappen verzamelt, trek ik een nummer en wacht ik rustig op mijn beurt. Na twintig minuten wachten, besef ik dat ik mijn nummer beter vóór de wedstrijd had kunnen halen. Of eergisteren. Uiteindelijk blijkt het reuze mee te vallen. Meer dan de helft van de nummers loopt nog gedesillusioneerd rond in de rest van de winkel en ik ben vrij snel aan de beurt. Met een vers zakje gehakt lopen we naar de kassa, betalen we en keren we terug naar het hostel.

In de keuken heeft zich een gezellige groep toeristen verzameld. Ze komen uit Duitsland, België, Nederland en Argentinië. Al snel blijken we veel met elkaar gemeen te hebben. Buiten onze gesprekken over eten om, is er namelijk nog één ander onderwerp dat mensen onmiddellijk met elkaar verbindt. Ieders afkeer tegen Fransen. Terwijl we heerlijk lopen te klagen, doet het meisje dat er werkt nog een duit in het zakje. “Ze willen nooit de volle prijs van de kamer betalen. Ze verwachten dat ik het verschil uit eigen zak betaal, maar gaan vervolgens wel naar McDonalds in plaats van zelf te koken.” Hoewel we van het onderwerp genieten, moeten we het geklaag kort onderbreken. In Bolivia hebben we namelijk alleen maar aardige Fransen ontmoet. En ze waren niet alleen maar heel erg aardig, in de meeste gevallen spraken ze nog Engels én Spaans ook. Een beetje verbaasd hoor ik mijzelf praten. Dat de dag zou komen dat ik het voor de Fransen zou opnemen. Er valt een stilte en iedereen denkt na over wat ik zojuist heb gezegd. “Ze spreken Engels én Spaans?”, hoor ik iemand zeggen. “Dat zijn geen Fransen.” Weer valt er een stilte. “Je hebt gelijk”, zeg ik. “Het zijn geen Fransen, maar reizigers. Dat laatste is iets heel anders.”