Onrustig wip ik van mijn ene naar mijn andere been. Het is half vijf ’s ochtends en we staan klaar om de Colca Canyon te verlaten. Onze rugzak is zwaar en het zou me niet verbazen als we, bij het minste verlies van ons evenwicht, terug de vallei in zouden donderen. Weifelend kijk ik naar boven. Hoe gaan we dit voor elkaar krijgen? De tocht naar boven duurt gemiddeld drie tot drie en een half uur, en die verrekte rugzak is goed voor tenminste een extra half uur. Inmiddels is het kwart voor vijf en de Fransen laten nog steeds op zich wachten. De tijd tikt langzaam weg en ik word, naast onzeker over de haalbaarheid van deze klim, ook (verrassing) steeds ongeduldiger. We hebben een strak tijdschema en iedereen wordt geacht om acht uur aan de top te staan. Terwijl ik nog steeds onrustig van mijn ene naar mijn andere been wip, besef ik ineens dat ik in de eerste plaats helemaal niet ongeduldig ben. Nee, het is één van mijn andere fantastische karaktereigenschappen die in dit soort situaties boven komt drijven. Naast ongeduldig, ben ik namelijk ook een rasechte, regelrechte controlfreak. Eentje die haar plannen niet graag in de war laat schoppen door drie asociale Fransen. Alsof onze afkeer tegen dit volk niet al groot genoeg is. Als ze dan eindelijk komen aankakken, kan er geen verontschuldiging van af. Ik knip de zaklamp op mijn telefoon weer aan en richt me tot onze gids. Alsof we daar ook tijd voor zouden hebben gehad.
Dat ik naast ongeduldig en een controlfreak ook nog eens een ontzettende aansteller blijk te zijn, wordt duidelijk als we twee en een half uur later gewoon boven staan. Hoewel het moordende tempo dat de gids er de eerste drie kwartier op nahield daar misschien aan heeft bijgedragen, haal ik opgelucht adem. Het is pas kwart over zeven en het zou nog drie kwartier duren voordat ook de laatste van de groep zich bij ons zal voegen. Hoewel ze de verleiding om een ezel te huren heeft weten te weerstaan, krijgt ze nauwelijks tijd om uit te rusten. Het is acht uur, het is steenkoud en iedereen heeft honger. Terwijl ik de zware rugzak alvast op mijn rug hijs, pikt ook de gids het ongeduld (dat overal in de lucht hangt) op. We vertrekken om, na twintig minuten, tevreden aan de ontbijttafel aan te schuiven.
Dat die tevredenheid in het geval van Noëlle en mijzelf niet lang duurt, mag geen verrassing te zijn. Waar wij na een kwartier ons ontbijt al naar binnen hebben gewerkt, naar het toilet zijn geweest en (bij wijze van spreken) al drie truien en een sjaal hebben gebreid, kauwt de één na drie kwartier nog steeds op het tweede broodje en schenkt een ander nog een derde kop thee in. Na een uur verveeld naar de muur te hebben gestaard, is ook de gids er klaar mee. Hij staat op, roept dat het tijd is om te gaan en wandelt (zonder om te kijken) naar buiten. Terwijl de meesten zich nog in hun omelet verslikken, gaan Noëlle en ik er in een drafje achteraan. Als eersten nemen we plaats in de bus, klaar om de rest van het programma in sneltreinvaart (por favor) af te werken. IJdele hoop, natuurlijk.
De rest van de dag wissel ik als Jekyll en Hyde tussen mijn twee overheersende persoonlijkheden. Stuk ongeduld. Controlfreak. Stuk ongeduld. Controlfreak. Als de Fransen na een lunch van een uur(!) opnieuw een kwartier te laat komen aankakken, speculeer ik met mijn zusje over de mogelijkheid om ze gewoon achter te laten. “Dat kun je als touroperator natuurlijk niet verantwoorden, hè?”, vraag ik haar. Ze kijkt me aan en antwoord resoluut. “Nou, ik zou onmiddellijk boeken bij zo’n bedrijf.” Ik moet glimlachen. Natuurlijk. Zij. Ik. En alle andere Nederlanders en Duitsers. Dan zou de persoon die slechts vijf minuten te vroeg is, door iedereen een vuile blik toegeworpen krijgen.
Heerlijk wegdromend bij bovenstaande illusie, worden we rond vijf uur weer in Arequipa afgezet. Blij dat we verlost zijn van ons gezelschap, snellen we naar ons hostel. In razend tempo pakken we onze rugzakken om en lopen naar onze favoriete hamburgertent voor een welverdiende maaltijd. Als we klaar zijn nemen we een taxi die ons, ruim anderhalf uur te vroeg, afzet op het busstation. Terwijl Noëlle het kaartspel tevoorschijn haalt, werp ik in tweestrijd een blik op de klok. We zijn op tijd. Nee, we zijn te vroeg. Dat betekent dat we nog een uur moeten wachten voordat onze bus vertrekt. Stuk ongeduld probeert haar kop weer op te steken, maar de controlfreak in mij weet dat te voorkomen. Wachten is de prijs, die ik maar al te graag wil betalen.

