Het is twee uur ’s nachts en de bus staat stil. Buiten is het donker, maar toch loopt de busmedewerker door de gangen om iedereen te waarschuwen. We zijn in Máncora, dé strandbestemming van Peru. Een plek waar je kunt surfen en feesten. De plaats om te zien en gezien te worden. En dus staat de medewerker kort even stil bij alle toeristen. Als vijfennegentig procent van ons de bus verlaat, werp ik nieuwsgierig een blik naar buiten. Niets te zien. En is het verdomme twee uur ’s nachts. Dus wij blijven zitten. Zien en gezien worden? Ons niet gezien.
Maar als het twee bussen verder en zevenentwintig uur later dan ook voor ons eindelijk tijd is om uit te stappen, haal ik opgelucht adem. Het is pas vijf uur in de ochtend en nog steeds (of alweer) donker. Dit keer maakt het echter niet uit. De zon komt bijna op. En na een reis van meer dan dertig uur, kan ik nog maar aan één ding denken. Dus nemen we een taxi naar ons hostel in Huaraz en bellen met gekruiste benen (en vingers) aan. Omdat we acht uur eerder dan gepland al voor de deur staan, halen we opgelucht adem als de deur open zwaait. Een vriendelijke medewerkster laat ons binnen en gaat ons zonder morren voor naar onze kamer. Nog voordat de deur achter haar dicht slaat, laat ik me al op het toilet zakken. Ik slaak een zucht van verlichting en pak mijn telefoon erbij. De berichten druppelen één voor één binnen. Het bericht waarin de hosteleigenaar aanbiedt ons van het busstation op te komen halen, ontvang ik nu pas. Ik bedank hem vriendelijk en laat hem weten dat we inmiddels al zijn gearriveerd. Als ik het licht in de badkamer uitknip, ligt Noëlle al op bed. Moe van de lange reis, laat ook ik me op bed neerploffen. Huaraz kan wel even wachten.
“Of toch niet?”, denk ik als we zes uur later alweer door de straten van Huaraz rijden. De hosteleigenaar, die ook een tourbureau runt, heeft ons zojuist met zijn auto opgehaald en wijst ons links en rechts op de belangrijkste bezienswaardigheden van de stad. Hoewel onze eerste indruk van het land (dat we vanuit de bus uitgebreid hebben kunnen bekijken) niet goed was, is onze eerste indruk van Huaraz dat wel. Dat het onze verwachtingen zou overtreffen, werd de volgende dag direct duidelijk. Toen we na een hobbelige busrit van drie uur en een wandeling van twee en een half uur eindelijk Laguna 69 bereikten. Op een hoogte van 4.604 meter waanden we ons in Zwitserland. In Nieuw-Zeeland. In Nepal. Het water was adembenemend blauw en in geen geval het gevolg van hallucinaties. Vanwege de hoogte, de honger of de martelrit ernaartoe.
En hoewel het strand in Máncora vast heel leuk zou zijn geweest, knijp ik mijzelf nog even in mijn arm. Flaneren in leuke jurkjes, kan bijna overal. Liever geniet ik, nog heel even, van het uitzicht op de lagune. Ik kwam hier immers om te zien. Niet om gezien te worden. En dat is maar goed ook. Want de naad van mijn thermoshirt heeft niet alleen losgelaten – het stinkt ook naar zweet. Aan mijn voeten prijken de lompe wandelschoenen die ik al de hele reis draag en met mijn haar in een slordige knot, ben ik absoluut niet om aan te zien.

