De Amazone

“Ik word gevolgd…” Onze gids stopt onverwacht en begint druk met zijn handen in de lucht te wapperen. Niet erg onder de indruk van zijn gezwaai kijken we hem aan. “Insecten bedoel je? Of toeristen? Want ik ben er vrij zeker van dat dat laatste de bedoeling is…”

We zijn in het Cuyabeno Nationaal Park, en het is onze laatste avond. Samen met Elvis, onze gids, en twee andere toeristen wandelden we voor het laatst door de jungle. Stapten we in de motorboot, voeren we naar het Laguna Grande en zwommen we in het midden van het meer terwijl de zon langzaam onderging. Wrongen we onze bikini’s uit en schoven aan tafel voor het laatste diner. Terwijl het buiten steeds donkerder wordt, denk ik terug aan de vier dagen die we in de Bamboo Lodge doorbrachten. Net als de rest van onze reis (en reizen in het algemeen), was het lang niet altijd plezierig. Want het wat nat en heet. Plakkerig en vermoeiend. Bij vlagen spannend en soms zelfs afzien. En toch had ik het voor geen goud willen missen.

Was het fijn geweest als het niet zo verstikkend heet was geweest? Als we niet al plakkend van de zonnebrandcrème en riekend naar een combinatie van zweet en muggenspray door de jungle hadden hoeven bulderen? Ja. Voegde die keer dat ik met mijn gezicht vol in de modder donderde (omdat ik mijn camera graag buiten schot wilde houden), nu echt iets toe aan de tijd die we hier doorbrachten? Niet echt. Was het dan die keer dat we op de vlucht sloegen voor een bijenkolonie, die zich het liefst in onze kleding of ons haar wilde nestelen? De slang die via de keuken en over het dak de eetzaal binnen kwam vallen? De tarantula die zich het liefst op het raam van één van de slaapkamers verschalkte? Die keer dat ik, keer op keer, met kano en al de bosjes in voer waarbij de takken in mijn gezicht sloegen omdat mijn medepeddelaar (die achterin zat) ervan overtuigd was dat ik moest sturen? Of die drie uur durende kanotocht waarbij Noëlle en ik niet alleen de enige vrouwen maar ook de enigen van de vijf waren die daadwerkelijk peddelden? Die keer dat zuslief op verzoek van de gids in plaats van één papaja per ongeluk de hele tak afbrak en de gids deze gehaast naast de boom op de grond plaatste om zich met de woorden “we zijn hier nooit geweest” snel uit de voeten te maken? Was het fijn geweest als het niet zo hard geregend had? Als de muggen ons (ondanks onze muggenspray) niet helemaal lek hadden geprikt? Als onze kleding wel gewoon was opgedroogd, zodat we niet noodgedwongen vier dagen lang in natte bikini’s, met natte sokken in natte regenlaarzen moesten rondlopen? Was het fijn geweest als de vochtige schimmellucht zich niet langzaam meester van ons had gemaakt?

Ja. Dat was het zeker. Maar tegelijkertijd was al het moois dan ook minder mooi geweest. Want hoe heerlijk is het om, na die bedwelmende hitte, in het koele water te glijden? Om als het eindelijk droog is onder de indrukwekkende sterrenhemel over het water te zweven? Genietend van de serene stilte? Om dat ene paar droge sokken aan te trekken tijdens een welverdiende siësta? En om tien minuten voordat je terug aan land en op de bus naar Lago Agrio gezet wordt, dan eindelijk de anaconda spot? Hoe heerlijk is dat?