Gastheerschap is een vak

Na een uurtje en een biertje is alles weer goed. Mijn zusje is van de beademing gehaald en de rust is wedergekeerd. Aan het zwembad wordt er gekaart, en niets wijst er op dat zuslief nog niet zo heel lang geleden stond te hyperventileren. Het gevolg van boosheid, teleurstelling en één grote deceptie. “Dat de ober na het serveren van het dessert überhaupt nog terug durfde te komen om de tafel af te ruimen en de rekening te brengen”, grapten mijn moeder en ik. “Hoezo?” Zuslief kijkt ons verbaasd aan. “Ik heb tijdens de lunch alleen gezegd dat de pizza een beetje smakeloos was.” Wij barsten in lachen uit. Als blikken konden doden, had deze ober nog voor het serveren van het hoofdgerecht in een kist gelegen.

Dat de lunch geen succes was, moge duidelijk zijn. Was het dan de eerste keer dat er fouten werden gemaakt of het eten zwaar teleurstellend was? Natuurlijk niet. Het eten in India was bijna één grote deceptie geweest. Maar wellicht hadden we daar beter mee om kunnen gaan omdat we er ook nooit (hoge) verwachtingen van hebben gehad. Als ik in mijn gerecht geen onkruid (dat door sommige mensen met de naam koriander wordt aangeduid) kon ontwaren, was ik al blij. Want bestelde ik spaghetti, dan kreeg ik steevast penne en “zonder kaas” was een vreemd concept dat onveranderlijk als miscommunicatie werd afgedaan. En wanneer iemand je tenslotte vraagt of je in plaats van een colaatje geen fanta of sprite maar wellicht een biertje wilt drinken, dan zijn er al helemaal geen verwachtingen meer.

Wat maakt het nu dan anders? Is het de prachtige, paradijselijke omgeving? Het warme, bijna tropische weer? Het hotel met zwembad? Het zwemmen met de zeeleeuwen? Of het snorkelen met de zeeschildpadden die het vakantiegevoel voeden en de zin in lekker eten doen toenemen? Gedeeltelijk. Maar meer nog dan dat is het het verwachtingspatroon. De verwachting dat een restaurant dat eenmaal een goede service heeft geleverd, dat de volgende keer opnieuw zal doen. En dat laatste was in dit geval niet het geval. Hoewel het niet met opzet was, maakte onze ober vandaag de ene na de andere fout. Dat hij zijn vak simpelweg niet verstond, werd al duidelijk toen hij ons in plaats van wijn appelcider wilde serveren. Dat hij daarna onzeker en met een vragende blik de juiste fles bracht, had voor ons een waarschuwing moeten zijn. De witte wijn bleek warm, in de Caesarsalade zat kaas (hoewel we nadrukkelijk hadden gevraagd deze achterwege te laten), de kip die er wel in had horen te zitten werd pas achteraf (toen de salade al bijna op was) geserveerd, de pizza was (zoals zuslief al zei) smakeloos in vergelijking met dezelfde pizza die we hier de dag ervoor hadden gegeten en het dessert was de druppel die mijn zusjes emmer deed overlopen. Omdat ze geen desserts, alleen ijs, serveerden, bestelden we dat laatste. Toen onze vanille met chocolade coupes er niet alleen chemisch maar ook alle drie anders uitzagen, rolden onze ogen bijna uit ons hoofd. Met een blik op het gezicht van zuslief trok ik snel het felblauwe ijs naar mij toe. Moederlief probeerde het felgele en -roze ijs uit handen van mijn inmiddels, withete, zusje te wrikken en te ruilen voor haar enigszins normaal uitziende coupe. Koppig en geïrriteerd werd dat geweigerd. “Hij moet niet denken dat hij ook maar één cent fooi krijgt.” Dus terwijl mijn moeder ik braaf ons ijsje weg lepelden, groef Noëlle verwoed in de portemonnee naar het exacte bedrag dat op de rekening stond. Hoewel ik het smurfenblauwe, naar kauwgom smakende, kinderijsje dat ik net achter mijn kiezen had zelf nooit zou bestellen, was ik allang blij dat het niet naar kaas of koriander smaakte. Terwijl we naar buiten liepen en zuslief nog wat na-pruttelde, duwde ik mijn zonnebril nog wat dieper op mijn neus. Morgen is er weer een dag. De zon schijnt en het is de hoogste tijd om een duik in het koele water te nemen.