Rennen, schuilen, bidden

Stilletjes knielen we neer in het lange gras. De mist, die er al een paar dagen hangt, blokkeert niet alleen ons zicht, maar voorkomt ook dat we ons aan de zon kunnen warmen. Met beide handen wrijf ik daarom stevig over mijn armen. Het thermoshirt, dat ik krampachtig over mijn jack heb aangetrokken, blijkt een geschenk uit de hemel. Dankzij de grijsgroene kleur ga ik perfect in de omgeving op. Dat ik daaronder mijn felroze jack draag, ziet helemaal niemand meer. Gelukkig, want wie in het Bardia Nationaal Park een tijger wil spotten, dient naadloos op te gaan in de natuur. En dus houden we ons roerloos schuil in het struikgewas. In de hoop dat we vandaag, of morgen, één van de vijfenzestig tijgers die het park telt, zullen spotten.

Na twee uur, die wel een eeuwigheid leken te duren, wenkt Hukum ons. De eigenaar van het Jungle Base Camp, die vandaag ook onze gids is, stelt voor om naar een andere plek te gaan. “Hier is niets te zien”, fluistert hij. En dus plaats ik mijn handen op de grond en geef mijn lichaam het benodigde zetje om overeind te komen. Dat we na de Annapurna en voordat we hier arriveerden nog drie andere plaatsen bezochten – en ik ruim voldoende tijd heb gehad om bij te komen – is tot mijn lichaam nog niet helemaal doorgedrongen. Dankbaar grijp ik dan ook naar de stok, die ik eerder zorgvuldig tegen de boom parkeerde. Of deze nu bedoeld is om het wandelen te vergemakkelijken of om een grijpgrage tijger mee van ons lijf te slaan, is mij niet helemaal duidelijk. Het doet er ook niet toe, want in het eerste geval volstaat hij, en in het tweede geval, maak je volgens Hukum toch geen schijn van kans.

Met een glimlach denk ik terug aan de veiligheidsinstructies die de vriendelijke Nepalees ons eerder die ochtend gaf. In mijn hoofd heb ik zijn verhaal samengevat tot iets wat makkelijk te onthouden is: rennen, schuilen, bidden. De oplossing wanneer men aangevallen wordt door een olifant, een neushoorn en een tijger. Te voet en bewapend met niet meer dan een stok, is dat alles wat je kunt doen. Want, en dit zegt Hukum, wie een olifant wil afschudden, rent naar een lager dan wel hoger gelegen gebied of een rotsachtige omgeving met veel stenen. De olifant zal niet kunnen volgen en zijn aanval staken. De neushoorn, voor wie men beter niet kan rennen, is eenvoudigweg te misleiden. Hiervoor behoef je niet meer dan een boom om je achter te verschuilen. Hoe dat werkt? Heel eenvoudig. Het dier zal zijn aanval, eenmaal ingezet, niet kunnen onderbreken. Het zal rakelings langs jou en de boom heen rennen, omdraaien, en nogmaals aanvallen. Wie twee keer aan de andere kant van de boom gaat staan, zit goed. Net als de olifant, zal ook hij zijn aanval staken. Gedwee knikten we toen Hukum deze belangrijke informatie met ons deelde. “En de tijger?” Met een grijns drukte Hukum de palmen van zijn hand tegen elkaar. Vingers naar boven. “Geen schijn van kans”, antwoordde hij. Ik onderdruk een glimlach en richt mijn ogen weer op het pad. Terwijl we ons langzaam een weg door het groen banen, kijk ik waarderend om mij heen. Als Hukum uiteindelijk halt houdt, laat ik mijzelf opnieuw voorzichtig in het gras glijden. Ik knik als hij mij vraagt een specifiek deel van de rivier in de gaten te houden. Hoewel ik mijn taak serieus neem, merk ik dat mijn ogen toch een aantal keren bijna dichtvallen. Na vier uur posten ben ik zo moe, dat ik de tijger bijna kan hallucineren. Als de gids dan ook even later meldt dat het tijd is om te lunchen, haal ik opgelucht adem. Samen met een Duits stel, dat zich iets verderop in de wildernis verborgen hield, openen we ons lunchpakket. Dat de houdbaarheidsdatum van zowel het pakje drinken als het koekje al lang verstreken is, zijn we inmiddels wel gewend. Hongerig vallen we aan en al snel ontstaat een geanimeerd gesprek. Hoewel beide gidsen ons verschillende keren tot stilte manen, beginnen we na vijf minuten fluisteren in ons enthousiasme alweer luid te praten. “Jullie jagen de tijger weg”, fluistert Hukum. Dat dat laatste alles behalve waar is, blijkt wanneer de andere gids ons vijf minuten later haastig komt halen. Op twintig meter afstand laat de tijger zich kort zien. Te kort om met mijn vinger de knop van de camera te vinden. Want hoewel wij alle tijd hadden, had de tijger dat niet.