Terug naar de realiteit

“Als jij even naar buiten gaat om een beetje hout te sprokkelen, dan mogen wij vannacht misschien wel op de vloer naast de kachel blijven slapen.” Met mijn liefste glimlach kijk ik mijn zusje aan, maar ze hapt niet. Na vijf dagen lopen zijn we aangekomen in het Tilicho Hotel in Manang en nu, op een hoogte van 3.500 meter, beginnen we de kou steeds meer te voelen. Niemand kijkt dan ook vreemd op als we met onze jas aan, muts op en slaapzak over ons heen in de ontspanningsruimte van het hotel plaats nemen. Aan mijn voeten prijken mijn warmste sokken, die ik ongegeneerd in mijn badslippers heb gestoken. Wie ’s winters de Annapurna besluit te lopen, neemt het niet zo nauw met de regels omtrent mode dan wel hygiëne.

En dus, terwijl ik de slaapzak nog wat omhoog trek, kijk ik genietend om mij heen. Voor het eerst sinds de start van de wandeling lig ik niet weggedoken onder een stapel dekens, in een koude kamer, te wachten tot dat het eindelijk tijd is voor het avondeten. In plaats daarvan maak ik dankbaar gebruik van het internet dat, voor het eerst in dagen, gratis in dit hotel wordt aangeboden. Dat er zojuist, voor het eerst sinds onze aankomst in dit land, warm water uit de kraan kwam tijdens het douchen, is de kers op de taart. Dat ik tijdens het douchen een aantal keren de deur voor mijn zusje moest openen zodat het teiltje met onze meurende kleding ook met warm water gevuld kon worden, neem ik op de koop toe. Want terwijl ik genoot van dit verwenmomentje, stond zij al vloekend buiten in de kou onze wandeloutfits in ijskoud water te soppen.

Verschil moet er zijn. Want waar ik sinds dag één al klaag over spierpijn en ik mijn benen met de beste wil van de wereld niet meer in een kleermakerszit gemanoeuvreerd krijg, is er aan deze doorgewinterde bikkel nog niets te zien. Dat is ook niet heel vreemd. Als ex-lid van de Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging, is ze wel wat gewend. Want terwijl de andere leden tijdens zo’n wandelweekend een drie-gangen menu kookten en hun vermoeide lichaam in de luxe van een tent parkeerden, kauwde zij twee dagen lang op droge krentenbollen terwijl de regen ’s nachts op haar gezicht druppelende omdat het zeil waaronder ze sliep niet helemaal voldeed. Terwijl ik mij afvraag of ik het moordende tempo waarin zowel onze gids als zij deze trek in afleggen nog wel kan bijhouden, merk ik dat ze weg is. Ik werp een blik uit het raam. Hout zal ze wel niet aan het sprokkelen zijn. Vijf minuten later komt ze terug de ruimte in gelopen. Een grote grijns op haar gezicht. “Ik heb een schatkamer gevonden!” Verbaasd kijk ik haar aan. “Die kamer ligt vol met dekens. Ik neem er vier. En jij?” Ik moet lachen. Dit is nog beter dan die warme douche. Even wanen we ons in de hemel. Tot dat ik zonder nadenken een slok van mijn waterfles neem. Met tegenzin slik ik het door. Het is de smaak van chloor die mij direct terug brengt. Terug naar de realiteit.