Zo gek als een geit

Iets meer dan een week geleden kwam Linsey mij op Las Palmas opzoeken. Op dat moment had ik er bijna zes weken op zitten en zat ik op de helft van mijn verblijf op dit prachtige zonnige eiland. In die zes weken heb ik, onder meer, twaalf verschillende (tijds-)vormen geleerd. Wanneer ik de verschillende vormen correct uit elkaar kan houden, kan ik in het Spaans van alles vertellen: iets over het verleden, het heden, de toekomst, ervaringen, gewoontes, wensen, mijn mening (met of zonder waarde oordeel) en kan ik zelfs bevelen geven. Dat wil zeggen: als mijn woordenschat toereikend genoeg is en mijn hoofd niet overloopt van alle nieuwe informatie die ik in deze kort tijd heb opgedaan.

Linsey kwam dan ook op het juiste moment, en het was goed om even iets minder focus te leggen op het Spaans, en iets meer op het genieten van alles wat Gran Canaria te bieden heeft. Want het eiland is werkelijk prachtig en heeft veel meer te bieden dan je in eerste instantie zou denken. Na een rustig begin, met tapas en cocktails in La Vegueta (de oude stad) en een dagje strand, besloten we op zaterdag en zondag een auto te huren.

Voorzien van eten, drinken, zwemspullen, zonnebrandcrème en een hoed, stonden we op zaterdagochtend om kwart voor zes (ja, je leest het goed) op het busstation te wachten op de eerste bus naar het vliegveld. Als allereerste namen we plaats op de stoelen naast de autoverhuurloketten en zagen we langzaam alle werknemers van de verschillende verhuurbedrijven naar binnen druppelen. Net toen we rond zeven uur aanstalten wilden maken om naar het loket te gaan, schoot de enige andere klant die in een straal van een kilometer te bekennen was, voor ons naar hetzelfde loket. Gelukkig duurde het niet lang en al snel bevonden we ons in de auto, op de snelweg, naar onze bestemming van die dag. Anderhalf uur later bereikten we Tasartico, één van de uithoeken van het eiland, en parkeerden we onze auto. Gewapend met één van mijn “afscheidscadeaus”, een wandelgids (die Linsey, tot haar spijt, waarschijnlijk zelf had uitgezocht), gingen we op pad. Een dag eerder hadden we namelijk besloten om op zaterdag een fijne combinatie te maken. We zouden gaan wandelen én we zouden lekker gaan relaxen op het strand. De wandeling, die drie uur zou duren en ons naar een moeilijk bereikbaar strand zou brengen, was de reden dat we zo vroeg waren vertrokken. Een bloedhete zon is namelijk het laatste dat je kunt gebruiken als je aan een dergelijke tocht begint. Na ongeveer een kilometer bereikten we het startpunt. Aangezien we nog geen kans gezien hadden om te ontbijten, begonnen we de wandeling met een croissantje in de hand. Slecht idee. Het pad voerde ons namelijk anderhalf uur lang omhoog, naar een totale hoogte van bijna een kilometer. Dat we allebei na tien stappen al moe waren, vertelden we elkaar pas op de terugweg omlaag. Linsey vroeg me nog hoe ik kon eten en lopen tegelijkertijd en ik vroeg me op datzelfde moment af hoe juist zij dat precies voor elkaar kreeg. Vlak achter vier anderen, die ons op de heenweg passeerden, bereikten we – inderdaad – drie uur later het strand.

Schoenen uit, voetjes in het zand, en genietend van de zon en de zee, velden we ons oordeel over iedereen op het strand. “Nee díe, die kan hier echt niet naar toe gewandeld zijn. Die moet gewoon met de boot zijn gekomen.” Een paar uurtjes gingen voorbij en rond half vier werd het, voor iedereen die niet op het strand zou blijven slapen, tijd om aan de terugtocht te beginnen. Drie Nederlandse broers, die écht geen zin hadden om terug te lopen, wisten een lift in een boot te regelen. Maar Linsey en ik, bikkels als we zijn, begonnen langzaam aan onze terugtocht. Halverwege begonnen we echter vraagtekens te zetten bij deze onderneming. Het was ongelofelijk zwaar en regelmatig moesten we pauzeren. Veel meer dan een appel konden we elkaar niet beloven als we de top bereikten. En dus, met een appel in het vooruitzicht, sleepten we onszelf naar boven. Een andere keus hadden we dan ook niet. In tegenstelling tot de weg naar boven, verliep de weg naar beneden gelukkig vlot en gemakkelijk. Rond een uur of zeven bereikten we de auto en beseften we dat we nog minimaal anderhalf uur terug moesten rijden. Na nog een uur als een kip zonder kop rond te hebben gereden in Las Palmas, op zoek naar een parkeerplaats, waren we eindelijk terug. Een korte wandeling was het laatste dat tussen ons en onze residentie in stond. Eindelijk konden we het zout, het zand, de zonnebrandcrème en het zweet van ons afwassen. Een douche, een pizza en een pasta was alles wat we nodig hadden om ons weer een beetje mens te voelen. Tijdens het eten vertelde Linsey me dat zij waarschijnlijk de enige was die ik zo gek had kunnen krijgen om zoiets dergelijks te ondernemen. “Dat denk ik ook”, antwoordde ik bevestigend. “Nou ja,” krabbelde ik terug, “ik ken er nog één.” Die zit op dit moment in Zwitserland, maar die is, zoals de Spanjaarden zeggen, dan ook zo gek als een geit.