Met een zucht sla ik mijn tablet open en laat ik mijn blik over het nog lege document glijden. Na bijna veertien dagen te hebben doorgebracht op één van de meest bijzondere plekken op aarde, ben ik niet verder gekomen dan het schrijven van één blog over de onbekwaamheid van één ober. Nu we weer terug in Santa Cruz zijn, en zowel de wifi als de alcohol weer rijkelijk vloeit, voel ik mij gedwongen deze eilandengroep meer eer aan te doen. Dat dat een grotere uitdaging is dan dat dat bij haar drie voorgangers het geval was, moge duidelijk zijn. In Nepal stonden we op grote hoogte doodsangsten uit, voor het land waar we inmiddels alleen nog maar aan refereren als ‘de hel’ ontwikkelden we in razend tempo een allergie en in Nieuw-Zeeland vloeide er meer dan alleen woorden. Dus wat schrijf je over een land dat, in plaats van woorden, vooral prachtige beelden leverde?
Zo moeilijk kan het toch niet zijn? Jawel. Want na een week van zon en drank kwamen we uiteindelijk helemaal niet meer uit onze woorden. Hoe vaak mijn moeder enthousiast tegen anderen heeft geroepen dat we héérlijk hebben gezwommen met de dolfijnen (zeeleeuwen), mijn zusje vol ontzag de pelikanen (flamingo’s) heeft bewonderd en ik een willekeurige tak voor een slang heb aangezien. Verkeerden we nog in een alcoholroes of liepen we een zonnesteek op? Ik durf het niet te zeggen. Dat Noëlle na een mislukte koorddanspoging van het touw viel en haar hand verrekte waardoor we Eerste Paasdag op de Eerste Hulp doorbrachten, had daar in ieder geval helemaal niets mee te maken.
Maar beneveld of niet, we hebben genóten. Van de zeeleeuwen, schildpadden, leguanen, flamingo’s, pelikanen, krabben en genten die we op het strand of in zee zagen tot de witpuntrifhaaien en pijlstaartrog waarmee we snorkelden tijdens de Los Tuneles tour op Isabela. Terwijl wij ’s ochtends vroeg op stonden om, in het gezelschap van nooit meer dan twee andere snorkelaars, met de zeeleeuwen te gaan zwemmen, verdrongen de toeristen (afkomstig van de boten) zich ’s middags met zijn allen in het overvolle water. Terwijl wij tegen die tijd alweer heerlijk in de zon op het terras zaten, sjokten zij in de hitte voorbij. Wij nippend aan een cocktail. Zij druk fotograferend. Voorop liep de gids, die voortdurend een geërgerde blik achterom wierp. Terwijl wij nog een tweede alcoholische versnapering bestelden, dreef hij ze bij elkaar. Als een herdershond met een kudde schapen. “Arme schapen”, dacht ik bij mezelf, terwijl ik mijn glas hief. Terwijl onze glazen tegen elkaar klinken, kijken we elkaar in de ogen aan. Hiervoor hebben we geen woorden nodig.

