Ik spits mijn oren als het meisje achter de balie mij mijn paspoort weer overhandigt. Om mij heen is het rumoerig en de medewerkster ratelt maar door. Ik heb net een nachtvlucht achter de rug, deed geen oog dicht en dacht dat ik de zeven kilometer tussen het vliegveld en het hostel best lopend kon afleggen. Dat zou ook geen probleem zijn geweest. Als die rugzak geen zeventien kilo gewogen had, wil dat zeggen. Terwijl ik met twee handen in mijn zij mijn rug probeer te kraken, kijkt de meid achter de balie mij breed glimlachend aan. Verontschuldigend kijk ik terug. “Sorry?” “We hebben je een upgrade kunnen geven”, herhaalt ze. Een upgrade? De pijn in mijn rug lijkt langzaam te verdwijnen. Want, zeg eens eerlijk, wie houdt er nu niet van een beetje meer voor minder? Meer luxe voor minder geld is tenslotte iets dat elke zuinige Hollander prettig in de oren klinkt. Mijn moeder weet er alles van. Zij werd samen met mijn zusje, vanwege een overboeking, ooit naar business class bevorderd. Dat meer ruimte, beter eten en de onverdeelde aandacht van de steward(ess), als een upgrade geclassificeerd kunnen worden, zal iedereen dan ook beamen. De upgrade die mij op dat moment in het hostel in Cairns werd aangeboden, is echter een ander verhaal. Jawel, een slaapzaal van vier klinkt beter dan één van acht. Maar in de praktijk kan dat heel anders uitpakken.
Het is zaterdagavond, kwart over negen, wanneer ik met mijn toilettas de badkamer binnen loop. Voor de spiegel staan een aantal meiden, uitgebreid in de make-up en klaar om een avondje uit (of los) te gaan. Ik, daarentegen, was mijn handen om vervolgens voorzichtig mijn lenzen in het bakje te plaatsen. Ik druk een pil uit de strip en pak mijn tandenborstel om mijn avondritueel af te sluiten. Terwijl ik de tandpasta uitspuug hoor ik één van hen lachen en in het Duits ‘slapen’ mompelen. Ja, inderdaad. Hoe durf ik? Vroeg naar bed gaan op een zaterdagavond, is hier als vloeken in de kerk. Of het beklimmen van Uluru. Heiligschennis. Ik negeer het gefluister echter en loop met mijn toilettas onder mijn arm geklemd de gang op.
Het komt niet vaak voor, maar vanavond voel ik me oud. Tussen de achttienjarigen in een hostel dat een maximumleeftijd van vijfendertig heeft vastgesteld. Het doet me echter niet genoeg om weer rechtsomkeert te maken. Terug naar de badkamer, om mijn lenzen weer uit de vloeistof te vissen. Of terug naar een tijd, waarin ik verveeld de uren op de dansvloer aftelde. Waarin ik wenste dat sommige muziekstijlen hun debuut in de discotheek nooit hadden gemaakt. En waarin ik reikhalzend uitzag naar het moment waarop we ons naar de plaatselijke friettent zouden begeven. Want dat was het hoogtepunt van míjn avond.
Onderweg naar de kamer stop ik nog even in de keuken. Ik werp een blik op de jongeren die aan de bar hangen. Ik reik naar de krat met mijn naam erop en plaats deze voor mij op de werkbank. Tussen de olie, de peper, het zout en een aangebroken bol knoflook, tref ik nog een reep chocolade aan. Jackpot. Omdat eten en drinken eigenlijk niet is toegestaan in de slaapzaal, maak ik mij vlug uit de voeten. De reep klem ik onopvallend tussen mijn lichaam en de toilettas in. Zodra ik de kamer heb bereikt, slaak ik een zucht van verlichting. Er is niemand. De perfecte zaterdagavond. Ik ben alleen. Ik heb een hele reep chocolade. En ik heb maar liefst twintig titels op Netflix gedownload, die ik allemaal nog moet bekijken. Helaas komt aan al het goede een einde. Dat wordt pijnlijk duidelijk als blijkt dat mijn drie kamergenoten de rest van de avond (en nacht) om de haverklap binnen blijven vallen. Daarbij laten ze niet alleen de deur open staan, waardoor het felle licht recht op mijn gezicht valt, maar slaan ze deze vervolgens ook nog eens keihard weer in het slot. Als ik me voor de tachtigste keer omdraai, lijkt de rust eindelijk weder te keren. Het feest is afgelopen, en de drie maken zich klaar om naar bed te gaan. Terwijl ze zich al fluisterend uitkleden, draai ik het volume van mijn telefoon wat hoger.
Even lijkt het te werken. Tevreden draai ik mij nog een keer om. Pas als het bed begint te bewegen, open ik mijn ogen. Het gekraak van het bed dat aan het voeteneind tegen mijn bed aan is geplaatst, maakt pijnlijk duidelijk dat mijn muziek niet perfect in elkaar overvloeit. En wat dat feest betreft, had ik het mis. Blijkbaar heeft het zich naar het bed naast dat van mij verplaatst. Ik klap mijn telefoon open. Het is drie uur ’s nachts en ik vrees dat er van slapen niet veel meer terecht komt. Ik draai het volume van mijn telefoon helemaal open. De melding over een eventuele gehoorbeschadiging die ik hierdoor kan oplopen, negeer ik. Een gehoorbeschadiging klinkt op dit moment helemaal niet slecht. Ik grinnik om het feit dat ik mij eerder op de avond nog te oud voelde. Ik mag dan wel een stuk ouder zijn dan de gemiddelde backpacker, helaas ben ik nog te jong voor een gehoorapparaat.
Met wallen onder mijn ogen, meld ik mij de volgende ochtend dan ook bij de receptie. Met grote ogen kijkt de receptioniste mij aan, als ik mijn verhaal vertel. “Een downgrade?”, vraagt ze. “Nee, een achtpersoons slaapzaal”, herhaal ik. “Maar je verblijft op dit moment in een vierpersoons slaapzaal.” “Ja, en ik zou graag naar een grotere slaapzaal verhuizen, als er nog plek is.” Haar ogen rollen nog net niet uit hun kassen, als ze mij een andere sleutel overhandigt. Dankbaar neem ik ‘m echter aan en begeef me naar de slaapzaal. Bij binnenkomst word ik direct begroet door een aantal Duitsers en Britten. Opgelucht haal ik adem. Als ze horen waarom ik van kamer gewisseld ben, tovert zich een glimlach om de mond van één van de Britse jongens. Ik voel hem al aankomen. “Jullie hadden zeker een orgie gepland vanavond?” De jongen begint gretig te knikken. Lachend schud ik mijn hoofd. In welke wereld is een Brit met humor een downgrade? Voor de zekerheid kies ik echter het bed pal naast de deur. Je weet het tenslotte maar nooit. Met die jeugd van tegenwoordig.

