Cerro Rico

Onze gids wijst naar een gebouw een paar meter verderop. “Wie van de dames nog moet plassen, kan achter het gebouw daar gaan.” Je leest het goed. Niet in het gebouw, maar achter het gebouw. Even kijken we elkaar aan. Maar met een twee uur durende tour in het vooruitzicht, is het besluit snel genomen. Dat onze groep geen enkele man bevat, is puur toeval. Terwijl ik naar het gebouw loop, wend ik mij tot een van de anderen. “Willen jullie allemaal om de beurt of zullen we…?” Ik hoef mijn zin niet af te maken. Voor zeven vrouwen die om de beurt gaan plassen, is geen tijd. Dus hurken we één voor één naast elkaar neer. Daarbij laten we nog geen twee meter ruimte. Even gebeurt er niets. “Het lukt niet”, roept één van de meiden. “Plasschaamte”, antwoord een ander lachend. Ik probeer mij te ontspannen. Het feit dat we elkaar nog geen uur geleden hebben ontmoet, helpt niet mee. Pas als de eerste er eindelijk in slaagt, lukt het mij en de anderen ook. Opgelucht trekken we onze broek weer op. Het spannendste gedeelte van de tour door de Cerro Rico-mijn hebben we alvast gehad. Of toch niet? Omdat er in deze mijn nog gewoon gewerkt wordt, is het van belang dat we ons snel en handig door de nauwe gangen bewegen.

In het donker, op grote hoogte en met zes andere vrouwen waarvan de een zich net iets langzamer verplaatst dan de ander, is dat niet altijd een makkelijke opgave. Terwijl de loodzware karren in sneltreinvaart over de rails worden geduwd, is het aan ons om net op tijd in een van de uitsparingen onze toevlucht te zoeken. Na een half uur zijn we blij dat we een rustiger gedeelte van de mijn betreden. Ondanks de warmte, die naarmate men dieper gaat steeds indringender wordt, kunnen we hier wel even in alle rust zitten. Als iedereen een plekje gevonden heeft, richten we ons vol belangstelling tot de gids. Onder het toeziend oog van El tío, de beschermheilige van de mijnwerkers, begint hij zijn verhaal.

Als hij klaar is, manoeuvreren we ons in anderhalf uur door verschillende delen van de mijn. Wie claustrofobisch is aangelegd of bang is dat zij in één van de smalle gangen vast zal komen te zitten, blijft achter met de hulpgids. Niet alleen is hij er bij om achterblijvers op te vangen of terugkrabbelende toeristen vroegtijdig uit de mijn te begeleiden; hij deelt ook de cadeaus uit die wij van tevoren op de mijnwerkersmarkt voor de werkers hebben aangeschaft. Omdat zij niet voor een bedrijf maar voor zichzelf werken, wordt elke gift oprecht gewaardeerd. Om ons te bedanken wordt het werk een tiental minuten onderbroken. Het geeft ons de gelegenheid om vragen te stellen en met ze in gesprek te gaan.

Als het na twee uur tijd is om te gaan, nemen we afscheid van de werkers. Voordat we naar buiten lopen, leidt de gids ons naar een andere ruimte en vraagt ons om nog een keer plaats te nemen. In een kring rondom hem ploffen we neer. “Het is de vraag die iedereen wil stellen, maar ik bewust altijd tot het laatst bewaar”, begint hij zijn verhaal. We weten allemaal waar hij op doelt. Hoe gevaarlijk is het werk in de mijnen? “In deze mijnen vielen er in totaal al acht miljoen doden. Met die hoeveelheid lichamen zou je een brug kunnen bouwen van hier naar Spanje.” Zwijgend kijkt hij ons aan. We laten de informatie even op ons inwerken. Werpen nog een blik op El Tío, die omgeven wordt door sigaretten en cocabladeren. Offers om hem gunstig te stemmen. We denken aan Pedro. De negentienjarige mijnwerker die ons nog geen vijftien minuten geleden vertelde dat hij de plaats van zijn zieke vader in had genomen. Met het geld dat hij verdient onderhoudt hij zijn familie en stuurt hij zijn jongere broers naar school. Deze acht miljoen doden hebben ineens een gezicht gekregen. Dat van Pedro, die over een tijdje, weer gewoon naar school hoopt te gaan.