Een dag niet gezeefd…

Het is zes uur ’s ochtends als ik mijn hoofd nog wat dieper in de kraag van mijn jas steek. Met mijn hand houd ik angstvallig het touw naast het pad vast. Voetje voor voetje glibber ik naar beneden. Het heeft de afgelopen dagen gesneeuwd en mijn studio bevindt zich op een kleine heuvel aan de rand van het dorp. Hoewel het nog donker is, ontwaar ik vaag de contouren van de Matterhorn. De frisse sneeuw knispert onder mijn laarzen en stiekem moet ik lachen als ik aan mijn linkerzijde de Annapurna passeer. Niet het Nepalese bergmassief dat ons twee jaar geleden bijna fataal werd, maar een solide ogend houten huis waarvan geen enkel gevaar uitgaat. Dit keer ben ik beter voorbereid. Zonder mijn thermokleding, die zich inmiddels als een tweede huid om mijn lichaam heen heeft gewikkeld, verlaat ik het huis niet meer.

Op het werk is het echter een ander verhaal. Hoewel ik, na een jaar lang rondgefladderd te hebben bij het Van der Valk hotel in Stein-Urmond, inmiddels zonder problemen de kleinste schoteltjes op mijn pols kan laten balanceren, ben ik nog niet voorbereid op het werk in een vijfsterrenhotel. Vooral niet wanneer blijkt dat het ontbijt van dat hotel tot de tien beste van Zwitserland gekozen is. Wie wist bijvoorbeeld dat de opgaande plooi van het tafellinnen naar de ingang gericht opgelegd dient te worden? Of dat er fanatiekelingen bestaan die hier rustig een uur over kunnen discussiëren omdat de etiquette wat dat betreft van land tot land verschilt? Als Duitsland de Tweede Wereldoorlog had gewonnen, had deze discussie ons wellicht bespaard kunnen blijven. Vooral omdat de positie van de peper en het zout óók nog onuitgemaakt waren. Dat nu juist de peper (en parallel daaraan de bruine suiker) pontificaal naast de witte kerk geplaatst wordt, laat zien dat zelfs de grootste fanatiekeling wel eens een twist verliest. Een verloren slag is echter geen verloren strijd, moet mijn fanatieke collega gedacht hebben.

In de weken die volgen, laat ze geen moment onbenut om ons te verbeteren. Want in tegenstelling tot ons geduld, kent perfectie geen grenzen. Wie denkt dat ik perfectionistisch, ijverig en ronduit gestoord ben, moet ik hevig teleurstellen. Zij is mij in het kwadraat. En hoewel ze het met de beste intenties doet, wordt het mij af en toe te veel. Gelukkig heb ik ook nog een andere collega. Eén die al meerdere seizoenen meedraait en ooit door dezelfde mangel is gehaald. Wanneer de stoom uit mijn oren komt en de wil om te leven mij langzaam verlaat, reikt zij mij stilzwijgend een mes aan. Een symbolisch gebaar. En een godsgeschenk. Langzaam verschijnt er weer kleur in mijn gezicht. Een kleine glimlach vormt zich op mijn lippen en vol goede moed ga ik er weer tegen aan. Met het mes nog vers in mijn geheugen, plaats ik de reserve messen, vorken en lepels exact in de door haar voorgeschreven volgorde op de mise-en-place tafel, was ik de sinaasappels met schil en al voordat ze de pers in gaan en zeef ik de cornflakes tot dat er geen kruimel meer in zit. Je werkt in een vijfsterrenhotel of je werkt er niet.

Dat we na een maand van geestelijke mishandeling, eindelijk de vruchten van ons harde werk kunnen plukken, wordt duidelijk als ik op een dag ineens een briefje in mijn hand gedrukt krijg. Blij verrast bedank ik de man en loop naar onze backoffice. Zonder het te beseffen, vouw ik het blauwe briefje open. “Honderd franc!”, roep ik verbaasd tegen mijn collega. Hoewel dat in Zermatt goed is voor een halve pizza per persoon, ben ik er blij mee. Het is de waardering die telt. Maar na een maand lang het personeelseten te hebben gegeten, zeg ik ook zeker geen nee tegen die pizza. Laat die halve margherita maar komen. Zekerheidshalve eten we die met de hand. Het is nog te vroeg in het seizoen om in het bijzijn van collega’s scherpe messen te hanteren.