Vier antibioticapillen tegen de ontsteking, acht paracetamols vanwege haar verhoging, zes diarreeremmers om te voorkomen dat ze haar broek vol schijt, drie pillen om haar eetlust op te wekken en drie codeïnepillen om de pijn te bestrijden. Dat ze die laatste niet wil slikken omdat ze bang is dat ze de drang om naar het toilet te gaan dan niet meer voelt en de campervan (ondanks de diarreeremmers) alsnog onder kakt, is een kraakhelder voorbeeld van de situatie waarin wij ons momenteel bevinden. De campervan hebben we daarom pal naast het toilet geparkeerd, het schema waarin staat op welk tijdstip ze welke pil moet slikken hebben we zorgvuldig samengesteld en de wekker op de telefoon is gezet om ons daar tijdig aan te herinneren. Hoewel deze vierentwintig pillen samen een hele maaltijd lijken te vervangen, moet Noëlle op doktersadvies haar eetlust toch langzaam weer proberen op te bouwen.
Omdat we het stadium van wijn en overheerlijke borrelhapjes nog niet hebben bereikt, moet zij zich voorlopig tevreden stellen met een kommetje cornflakes of een droge cracker. Terwijl ik voorzichtig een hapje van mijn pasta neem, zie ik hoe zij haar cracker kruimeltje voor kruimeltje naar binnen werkt. “Hoeveel van die dingen heb je de afgelopen drie dagen eigenlijk gegeten?”, vraag ik haar. Bedenkelijk werpt ze een blik in het pak. “Anderhalf”, zegt ze dan. Ik haal een wenkbrauw op. Met de rest heeft ze waarschijnlijk, in navolging van Hans en Grietje, het pad naar het toilet bestrooid. “Je eet ons arm”, zeg ik haar. Voor het eerst in dagen, kunnen we weer even lachen.
Want natuurlijk is het balen dat we, al vanaf het moment dat we hier voet aan land zetten, niets anders willen doen dan overgeven. Maar daarnaast weten we ook dat het onderdeel van onze reis is. Als we als mens willen groeien, zullen we ook moeten loslaten. Wie wil bouwen, zal eerst moeten afbreken. Gelukkig weten we waar we aan moeten werken. Dat heeft de guru in India ons immers haarfijn uitgelegd. Waar Noëlle moet leren om haar gevoel uit te leren spreken, zal ik moeten leren om mijn hart open te stellen. Zusterlief, die haar mening over India niet onder stoelen of banken stak, lijkt al op de goede weg te zijn. Al pratend komen we echter tot de conclusie dat ik nog een lange weg heb te gaan. Terwijl ik de muur die ik zorgvuldig om mijzelf heen heb gebouwd altijd gekscherend met de Berlijnse Muur vergelijk (waarbij iedereen die eroverheen probeert te klimmen direct wordt afgeschoten), noemt Noëlle mij een piñata. “Je moet jou eerst heel hard knuppelen, voordat er snoep uit komt.” Hoewel ik dat een erg treffende omschrijving vind, besef ik ook wel dat het uiteindelijk allemaal wel goed komt. Of ik, zoals deze guru stelde, inderdaad naar Australië verhuis en op mijn zesendertigste van een tweeling beval, kan alleen de tijd ons leren. Zolang ik, zo nu en dan, mijn onderbroek nog vol schijt omdat ik net niet op tijd bij het toilet ben, zie ik dat laatste namelijk nog niet gebeuren.

