Groetjes uit India

Vier jaar lang werkte ik op kantoor en merkte ik dat mijn conditie naar een dieptepunt aan het zakken was. Als ik van de tweede naar de vierde verdieping liep om met een collega te overleggen, moest ik eerst op adem komen voordat ik überhaupt een gesprek kon starten. Tijdens presentaties hapte ik naar adem. En na een lange dag was ik vaak te moe om nog te gaan sporten. Bijna een jaar lang deed ik naast mijn werk niets anders dan slapen. Toen op een gegeven moment bleek dat ik daar niet uitgeruster van werd, besloot ik te gaan sporten. Ik nam een abonnement op de sportschool en sleepte me daar zo’n twee tot drie keer per week naar toe. Niet omdat ik het leuk vond, maar omdat ik zag dat het resultaat had en ik te koppig was om direct op te geven.

In de vakanties, als ik vanuit Utrecht naar Geleen reisde om een week bij mijn ouders door te brengen, maakte ik met mijn moeder wandelingen door het bos. Later stelde mijn moeder voor om te gaan fietsen. Bij de ANWB had ze een fietsknooppuntenkaart gekocht en sindsdien fietste ze de mooiste routes door Limburg, België en Duitsland. Ik ging met haar mee en was aangenaam verrast door de schoonheid van het landschap. Al snel hadden we de draai te pakken en wisselden we korte met lange routes af. Toen ik thuis kwam in Utrecht kocht ik (ongeduldig als ik was) direct een fiets, fietsentassen en een kaart. Vooral in de lente en in de zomer ging ik regelmatig op pad. Ik vond het leuker dan de sportschool, kon mijn gedachtes heerlijk op een rijtje zetten en werd ondertussen ook nog mooi bruin. In de vakanties stapten mijn moeder en ik nog regelmatig op de fiets. En toen ik twee jaar geleden terug verhuisde naar Geleen, werd dat alleen maar makkelijker. Tegelijkertijd begon ik met yoga en ik merkte dat deze combinatie van kracht en lenigheid de perfecte aanvulling was. Ik was weer fanatiek aan het bewegen, tot dat ik vorig jaar opnieuw uitgeput begon te raken. Het kwam dan ook niet als een verrassing, dat ik een paar maanden geleden eindelijk moest toegeven dat ik burn-out had. De eerste paar weken kostte het me al moeite om af te wassen, maar mijn moeder stimuleerde mij om weer te gaan bewegen. Wandelingen van vijftien minuten werden langzaam uitgebreid en ik moest – voor het eerst in mijn leven – leren om naar mijn lichaam te gaan luisteren. Ik realiseerde me dat ik op momenten in mijn leven waarop ik niet lekker in mijn vel zat, vaak als eerste begon met het werken aan mijn fysieke conditie. Aan de slag gaan met je lichaam was, mijn inziens, de makkelijkste eerste stap. Niet alleen kreeg ik meer energie, maar ook kwam ik tot waardevolle inzichten tijdens lange wandelingen of fietstochten. Vanuit hier was de stap om na te gaan denken over mijn leven en het nemen van moeilijke beslissingen een stuk makkelijker.

De laatste paar weken zijn mijn moeder en ik weer fanatiek aan de slag gegaan. En dan heb ik het niet over onze Game of Thrones-marathon, maar over het wandelen. In plaats van korte wandelingen door het bos, leggen we nu afstanden van tien tot vijftien kilometer af. Ik merk dat mijn conditie langzaam terug begint te komen en wil deze – ter voorbereiding op mijn wereldreis – sterk verbeteren. In Nepal staat namelijk al een pittige trekking gepland. Daarbij zijn mijn zusje en ik van plan om in twee tot drie weken zo’n 160 tot 230 kilometer af te leggen. In tegenstelling tot mijn zusje – die zowel de Kennedy Mars als de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella heeft afgelegd – heb ik niet zo veel wandelervaring. Met haar lange benen en hoge tempo loopt zij achteruit nog rondjes om iedereen heen. Als ik niet wat meer ga oefenen ben ik bang dat ik nog in Nepal aan het wandelen ben, terwijl zij al foto’s maakt van de Taj Mahal. Morgenmiddag trekken mijn moeder en ik opnieuw onze wandelschoenen aan. Ik heb nog vier en een halve maand de tijd om mijn zusjes niveau te benaderen. En lukt dat niet? Dan verwacht ik dat ze klaar staat met het eten tegen de tijd dat ik puffend het eindpunt heb bereikt.