Kakadu

Heb je ooit een blind date gehad? Waarschijnlijk wel. Die ene vriendin die maar door blijft zagen over één of andere vent die, net als jij, óók nog vrijgezel is. Want dat is waarschijnlijk het enige dat jullie gemeen hebben. Dat en het feit dat hij gestudeerd heeft en op zoek is naar een intelligente vrouw. En ineens voldoe jij aan dat plaatje. Vrijgezel én intelligent. Dat hij een halve kop kleiner is dan jij en een lui oog heeft, wordt door de desbetreffende vriendin gemakshalve vergeten. Kritisch mag je in dit geval echter niet zijn. Je bent tweeëndertig en zelf ook niet perfect. Pas als de man in kwestie tegen het eind van de avond vol furore begint te vertellen dat hij een echte bad guy is, heb je wat mij betreft het volste recht om daadkrachtig vol te houden dat toetjes niet helemaal jouw ding zijn en de rekening te vragen. Om vervolgens met een stevige handdruk afscheid te nemen, in je auto te stappen, naar huis te rijden en linea recta naar de diepvries te lopen om zonder schaamte een hele bak ijs weg te lepelen op de bank. Herkenbaar? Mooi. Want dat is waar reizen in Australië in sommige gevallen precies op neerkomt.

Wat? Nee, echt. Veeg die vertwijfelde blik van je gezicht, want ik zal je precies uitleggen hoe dat zit. Nagenoeg alle backpackers in Australië worden geconfronteerd met dezelfde uitdaging. Je bent alleen, wil zoveel mogelijk van het land zien en hebt daarvoor een beperkt budget. Hoe los je dat op? Je koopt een “tweedehands” auto en hoopt dat deze het niet al na honderd kilometer begeeft. Niets voor jou? Begrijpelijk. Ik zie mijzelf ook al met rokende motor langs de kant van de weg staan. Zonder bereik en biddend dat die enkele auto die passeert, zo vriendelijk is om te stoppen. Gelukkig is er voor mensen zoals jij (?) en ik nog een andere manier om het werkelijke Australië te ervaren. Hoe? Dat is tegenwoordig vrij eenvoudig. Je struint het internet (met name Facebook) af naar backpackers die de aanschaf van een auto rooskleuriger inzagen dan jij en biedt aan om de benzinekosten te delen in ruil voor een lift. Uiteraard profileer je je in dat laatste geval altijd als een ongedwongen avonturier met zorgvuldig samengestelde Spotify-afspeellijsten en een tas vol bier en snacks. Werkt altijd. Een lift is in no-time geregeld. Daar zit het probleem van deze manier van reizen niet zozeer in. Het zit hem in de persoon die de lift aanbiedt. De zogenaamde blind date. Want net als met daten, weet je van te voren nooit helemaal met wie je te maken krijgt. Als dat zo was geweest, had ik het vliegtuig richting Australië in Amsterdam wellicht per ongeluk expres gemist en zat ik nu in het geheim op Gran Canaria aan de tapas. Verhalen over Australië uit mijn duim te zuigen en foto’s van het internet te plukken. Was ik maar zo wijs geweest.

Maar in plaats daarvan reageerde ik op het Facebookbericht van ene Fanny uit Frankrijk die, samen met drie anderen, een auto had gehuurd om in zes dagen een bezoek te brengen aan zowel Litchfield als Kakadu. Ideaal, dacht ik bij mezelf. Ik wilde deze nationale parken dolgraag bezoeken en met zijn vijven zouden we de kosten flink kunnen drukken. Niet wetende dat één van die vier me bijna het leven zou kosten, stuurde ik haar een bericht. En voordat je begint te watertanden bij het vooruitzicht van een bloedstollend verhaal; dat laatste bedoelde ik natuurlijk figuurlijk. Hoewel ik er na dit avontuur daadwerkelijk van overtuigd ben dat sommige personen in staat zijn om alle energie uit je lichaam te zuigen. Tot het punt dat je al pruttelend in elkaar zakt, terwijl het laatste beetje slijm je mondhoeken verlaat. Geloof me, daar is geen bak ijs tegen bestand.

Enfin. Terug naar de desbetreffende tripverpestster. En ik weet wat je nu denkt. Was ze Frans? Natuurlijk was ze dat. Domme vraag. Maar dat vergeef ik je. Ik besloot immers ook tegen beter weten in met twee Fransen op deze trip te gaan. Dat één van de twee (en de twee andere slachtoffers) ontzettend aardig waren, is de reden dat ik dit nog na kan vertellen. In alle vrijheid. En niet in de gevangenis, beschuldigd van moord. En hoewel ik honderden voorbeelden kan geven van de manier waarop ze ons de wil om te leven probeerde te ontnemen, zal ik het beperken tot één voorbeeld. Ik geloof namelijk niet dat mijn woorden ooit recht zouden kunnen doen aan het ware verhaal.

Onderstaande dialoog geeft ongeveer weer hoe het gesprek zich afspeelde. Daarbij wilde ik jullie, naast de daadwerkelijke woorden, mijn gedachten (tussen haakjes) niet onthouden.

Het is zeven uur ‘s avonds op de eerste dag. Onze energievreetster, die een tijdlang als kokkin in Australië werkzaam is geweest, heeft ons zojuist zonder enig overleg een maaltijd van pasta met kant-en-klare koude saus voorgezet. Geen traktatie. Maar aangezien iedereen de avond tot een snel einde wil brengen, proppen we het maaltje stilzwijgend naar binnen. Als iedereen zijn bord heeft leeggegeten, zijn tanden heeft gepoetst en klaar is om naar bed te gaan, ontvouwt de zoveelste discussie zich.

Zij tegen mij: “Ik denk dat het goed is als jij de sleutel van de auto in jouw tent bewaart vannacht.”
Ik (die als énige van ons vijven geen bagage meer in de auto heeft liggen): “Waarom? Ik heb niets uit de auto nodig. Is er iemand die vanavond of vannacht wellicht nog in de auto moet zijn?”
Niemand reageert.
Ik: “Want ik weet zeker dat ik de sleutel in ieder geval niet nodig heb.”
Zij: “En wat als je ziek wordt?”
Ik: “Ik denk niet dat de auto me daarbij kan helpen.” (Tenzij hij een studie tot arts heeft gevolgd, natuurlijk. Maar dat betwijfel ik. En zelfs dan. Wat gaat een dokter in dat geval doen?)
Zij: “Het lijkt me toch verstandig als jij ‘m bij je houdt.”
Aangezien niemand reageert en waarschijnlijk dus ook niets uit de auto nodig heeft, ga ik overstag. “Oké”, zeg ik en leg de sleutel in mijn tent. Over mijn schouder kijkt ze mee.
Zij: “Waar leg je ‘m precies neer? Voor het geval iemand ‘m vannacht nodig heeft. Dan hoeven we je niet wakker te maken, maar kunnen we ‘m gewoon uit je tent pakken.”
Ik: “In dat geval wil ik graag dat je me wakker maakt. Ik krijg waarschijnlijk een hartaanval als iemand midden in de nacht ineens mijn tent open ritst.”
Zij: “Ik wil je niet wakker maken. Het lijkt me beter als je ons vertelt waar je ‘m neerlegt.”
Ik: “Maak me gewoon wakker of neem de sleutel zelf vannacht. Ik heb hem niet nodig, zoals ik al zei.” (Tenzij ik je vannacht per ongeluk expres overrijdt, wil dat zeggen. Dan komt ie wel van pas.)
Zonder haar antwoord af te wachten stap ik in mijn tent, rits de deuropening dicht en hoop dat ze de rest van de avond haar mond houdt.


Terwijl ik de herinnering aan dit (en vele andere voorvallen) weer voor de geest haal, bedenk ik mij dat daten zo slecht nog niet is. Kent iemand toevallig nog een kleine, foute jongeman met een lui oog? Ik beloof dat ik ‘m deze keer niet voor het dessert smeer. Tenzij hij Frans en familie van is, wil dat zeggen. Er zijn grenzen. En hoewel ik die van mij keer op keer moet verleggen, weiger ik dat in dit geval te doen. IJs is tenslotte geen wondermiddel. En op mijn verstand, ben ik behoorlijk gesteld.