Mag ik u iets vragen?

“Pardon, mag ik u iets vragen?” Nog voor de man kan antwoorden drukt mijn zusje de plattegrond onder zijn neus. “Pashupatinath?”, gaat ze verder terwijl ze de bezienswaardigheid op de kaart aanwijst. De man schudt zijn hoofd. “Dat is te ver om te lopen”, antwoord hij. Vermoeid en een beetje gefrustreerd kijken mijn zusje en ik elkaar aan. We zijn al anderhalf uur op pad, en nog geen stap dichter bij ons doel. “Waar bevinden we ons nu?”, vraag ik hem. Terwijl hij onze plattegrond bestudeert, werp ik een blik op mijn telefoon. Wanneer we naast het Pashupatinath, ook de Swayam-bhunath en Boudhanath vandaag nog willen zien, zullen we haast moeten maken. Als de man zijn vinger eindelijk op de kaart plaatst, zie ik dat hij gelijk heeft. We nemen de bus.

Zorgvuldig bergt mijn zusje de plattegrond weer op en we vervolgen onze weg in de richting die de man ons heeft gewezen. Opnieuw kruisen we een drukke straat. Hoewel het niet de eerste is die we vandaag oversteken, hebben we de techniek ervan nog niet helemaal onder de knie. Nu zul je je afvragen welke techniek er in vredesnaam komt kijken bij het oversteken van een straat. En je hebt gelijk. Geen. Tenzij je je in de Nepalese hoofdstad Kathmandu bevindt. In deze stadsjungle geldt de wet van de sterkste. En als voetganger, ben jij dat niet. Vergeet de stoplichten, want die zijn er niet. En als je dacht dat die paar likjes witte verf op het donker asfalt het verschil konden maken, zal ik je snel uit die droom helpen. De bus is de baas. En hij dendert met een rotvaart over alles en iedereen heen. Vooral over voetgangers, die zo stom zijn om gedachteloos hun voet op het zebrapad te plaatsen.

En dus grijpen wij terug op de speciale oversteektechniek die we ons razendsnel eigen hebben gemaakt. Hij gaat als volgt: Je gaat op zoek naar andere voetgangers die, net als jij, veilig de overkant van de straat willen halen. Deze noemen wij voor het gemak oversteekmaatjes. Hoe meer er zijn, hoe beter. Tenzij het, net als jij en ik, toeristen zijn. In dat geval hadden we er nu waarschijnlijk nog steeds gestaan. Want het vergt een doorgewinterd oversteekmaatje om de leiding te nemen. Hij (of zij) is degene die als eerste zijn (of haar) voet op straat plaatst. Dat is direct het signaal voor de andere maatjes om in actie te komen. Hoe dat in zijn werk gaat? Wel nu, je strekt beide armen in tegenovergestelde richting. Tegelijkertijd maak je met je handen een krachtig ‘stop-ik-loop-hier’-gebaar. Dat dat laatste niet meer dan een symbolisch gebaar is, moge duidelijk zijn. Als iemand je hier wil overrijden, lukt dat toch wel. Wanneer iedereen veilig de overkant bereikt heeft, mag er geapplaudisseerd worden. Vooral als het hele gebeuren minder dan vijf minuten heeft geduurd.

Hoewel we het applaus achterwege lieten, waren we blij dat we de overkant hadden bereikt. Hier wachtte ons echter de volgende uitdaging. Terwijl er links en rechts talloze bussen in allerlei formaten voorbij reden, vroegen wij ons alleen maar af: “Welke bus moeten wij nemen en waar moeten wij er uit?” Opnieuw besloten we onze waardeloze, maar gratis(!), plattegrond te ontvouwen en al snel werden we in het juiste busje geplaatst. In de hoop dat iemand ons een seintje zou geven wanneer we onze bestemming hadden bereikt, zochten we oogcontact met onze medepassagiers. “Pashupatinath?” Een van de mannen knikte. Met een gerust hart konden we achterover leunen. Bij wijze van spreken dan. Want in werkelijkheid zaten we samen met twintig anderen samengevouwen in een te klein busje. Desalniettemin konden we niet stoppen met glimlachen. Dit was het echte Nepal. Tot dat de man die ons een seintje zou geven uitstapte. Een beetje bezorgd keken we om ons heen. “Pashupatinath?”, piepte ik. De man die tegenover ons zat knikte en de bus reed verder. Met een gerust hart leunden we weer achterover. Een paar haltes later, kwam de bus opnieuw tot stilstand. “Pashupatinath!”, klonk ineens een zacht stemmetje. De man tegenover ons keek glazig voor zich uit. “Pashupatinath!”, klonk het opnieuw. Tussen mijn zusje (van 1,84 meter) en het raam, verscheen ineens een vingertje dat naar buiten wees. “Pashupatinath!”, klonk het nu dringender. Gehaast kwamen we overeind. Terwijl we uitstapten, wuifden we snel naar de jongen die ons had gewaarschuwd. “Bedankt, maatje!”, riepen we, terwijl het busje weg reed.