Als ik ook mijn zomerjurkje pak om aan te trekken, kijkt mijn zusje mij bevreemd aan. Het is vier uur ’s nachts en buiten vriest het twintig graden Celsius. Ik negeer haar blik en voeg het zoveelste laagje kleding toe. Hoe warmer, hoe beter.
Vermoeid plof ik neer op het bed. Het was een korte nacht en ik heb geen oog dicht gedaan. Hoofdpijn, misselijkheid en de angst dat ik een hersenoedeem op zou lopen, waren de belangrijkste oorzaken. Ik draai het bakje van mijn lenzen open. Bevroren. Met tegenzin zet ik mijn bril opnieuw op. Als ik zie dat het licht in het hoofdgebouw aan gaat, probeer ik mijn voeten in de wandelschoenen te wringen. Ondanks de twee paar sokken die ik aan heb, lukt dat vrij gemakkelijk. Ik knip het hoofdlampje aan en volg mijn zusje naar de eetzaal. De eigenaar groet ons vriendelijk en brengt het ontbijt. Lusteloos lepelen we de pap naar binnen. Onderwijl komen de andere wandelaars binnendruppelen. Stuk voor stuk zien ze er moe uit. Als een van de laatste komt Ananta binnen. De gids heeft al ontbeten en is klaar om te vertrekken. Dankbaar dat we de pap kunnen laten staan, volgen we hem naar buiten. Daar overhandigt de eigenaar ons onze waterflessen. Op verzoek heeft hij ze gevuld met kokend water.
Al na vijf minuten, vraag ik me af waar we in vredesnaam aan begonnen zijn. Het pad is wit en glad van de sneeuw. Rechts van ons ligt een afgrond. En met elke uitademing beslaan de glazen van mijn bril. Ik zie geen hand voor ogen, dus grijp ik die van mijn zusje en schuifel voorzichtig achter haar aan. Als het pad na een uur beter begaanbaar wordt, begint zowel de hoogte als de vermoeidheid toe te slaan. “Ik moet even pauzeren!” roep ik naar mijn zusje. Geërgerd draait ze zich om. “Loop in godsnaam door! Ik voel mijn voeten niet meer.” Het huilen staat haar nader dan het lachen. “Ik sleep verdomme twee kilo bevroren water met me mee en ik ben bang dat mijn tenen zwart zijn.” Ik zucht eens diep. Het verlies van mijn zusjes tenen wil ik niet op mijn geweten hebben. Dus zwaai ik de ene voet voor de andere. Waar ze de grond raken doet er niet toe. Ik waggel achter haar aan tot we de top bereiken. Op een hoogte van 5.416 meter ploffen we opgelucht neer. Omdat mijn handen te koud zijn, maakt Ananta een foto van ons. We hebben het gehaald. Thorong La. Mijn zusje draait de dop van haar waterfles af en kijkt er misprijzend naar. Inderdaad, bevroren. Dan steekt er, heel plotseling, een ijskoude wind op. “Rennen!” gilt de gids. De adrenaline stroomt door ons lichaam. We grijpen onze rugzakken, doen geen enkele moeite om ze vast te gespen, en zetten het op een lopen. Na negen dagen wandelen, brachten we nog geen tien minuten op de top door. Onder het rennen knijp ik mijn handen steeds opnieuw tot een vuist. Gelukkig zitten mijn vingers er nog aan.

